Bij Server Based Computing verhuis je de software die op de “fat client” draaide naar de server. Daarmee hou je dus de gewenste “thin client” over aan client-zijde. Een vervelende eigenschap van de “oude” Terminal Services van Microsoft was hierbij dat daarmee die te verhuizen software ook voor alle gebruikers onder hetzelfde IP-adres ging werken. Voor veel applicaties was dit geen probleem. Soms kon het je echter wel hoofdpijn bezorgen.
Een voorbeeld hiervan is een multi-tier applicatie, waarvan de server-component meerdere client-componenten bedient. Als dit via socket communicatie plaatsvindt, dan worden de te bedienen clients van elkaar onderscheiden door hun IP-adres. Verhuis je echter die client-componenten naar de server – als gevolg van de Terminal Services architectuur – dan hebben ze dus allen hetzelfde IP-adres. Het IP-adres is dus niet meer onderscheidend voor de verschillende clients.
Windows Server 2008 lost dit op en noemt dat “IP-virtualisatie”. Dit kun je instellen per sessie of per applicatie. In het eerste geval krijgt ELKE sessie een eigen IP-adres. In het tweede geval alleen sessies waarop de met name genoemde applicatie draait: dit zal dus de applicatie zijn die er last van heeft als alle clients hetzelfde IP-adres gebruiken.
Microsoft’s Remote Desktop Services Team is nu een driedelige blogpost begonnen om uit te leggen hoe je één en ander kunt instellen en wat de effecten daarvan zijn.
Nog even ter herinnering: Remote Desktop Services is Microsoft’s nieuwe naam voor Terminal Services.