Server-consolidatie als gevolg van virtualisatie leidt al snel tot een I/O bottleneck. Meerdere virtuele machines moeten immers via dezelfde Network Interface Cards (NIC`s) met de buitenwereld communiceren – en dan liever ook nog in een redundante opstelling. En omdat ook de storage gecentraliseerd en gedeeld wordt in een SAN of een NAS, moeten diezelfde virtuele machines eveneens via Host Bus Adaptors (HBA`s) met storage arrays communiceren.
De beschikbaarheid van 10 Gigabit Ethernet nu – en 40 GbE over een aantal jaren – biedt echter uitkomst.

Je kunt met deze hogere snelheden niet alleen het netwerk-verkeer versnellen, maar ook storage-verkeer en netwerk-verkeer samenvoegen op dezelfde bekabeling.
Twee protocollen komen daarbij met name in beeld: iSCSI en Fibre Channel over Ethernet (FCoE). In geval van iSCSI wordt het storage-verkeer via TCP/IP getransporteerd en kan dan bijvoorbeeld ook gerouteerd worden via netwerk-routers. Bij FCoE wordt het storage-verkeer op basis van het Fibre Channel protocol via Ethernet getransporteerd (dus niet met een TCP/IP laag ertussen). Beide methoden hebben voor- en nadelen. Belangrijk bij FCoE is in ieder geval dat het onderliggende Ethernet ‘lossless’ gemaakt moet worden, omdat dit één van de functies van TCP/IP is die je wel nodig hebt. Dit kan met de zogenoemde Datacenter Ethernet variant, op basis van een standaard die zowel Data Center Bridging (DCB) als Converged Enhanced Ethernet (CEE) genoemd wordt.
Er zijn een paar goede en compacte white papers hierover beschikbaar. Blade.org heeft er recent één gepubliceerd en Blade Network Technologies ook.
De keuze voor FCoE of iSCSI is echter lang niet altijd eenvoudig, en al zeker niet in een greenfield situatie die je vanaf nul opbouwt. Ook Scott Lowe heeft die vraag gesteld en zijn betoog – en het commentaar van anderen daarop – zijn zeker het lezen waard.
Zie ook ‘I/O virtualisatie in een notendop‘ voor meer informatie rond de relatie tussen virtualisatie en I/O.